PensioenGenieten.nl

Uitwerking Pensioenakkoord




9 mei 2021: de nieuwe Pensioenwet gaat minimaal een jaar later in.


(Eerst even teruglezen over het Pensioenakkoord 2019? Ga dan naar de pagina Pensioenakkoord 2019.

Hieronder lees je meer over de uitwerking. 

9 mei 2021: De nieuwe pensioenwet gaat minimaal een jaar later in dan eerst gedacht: op 1 januari 2023, denkt minister Koolmees van Sociale Zaken. Pensioenfondsen willen dat dan ook het nieuwe pensioenstelsel een jaar later in gaat: 1 januari 2027. Koolmees hoopt dat dit 1 januari 2026 blijft.
Het jaar uitstel heeft er mee te maken dat het allemaal erg ingewikkeld is. Het gaat om heel veel geld en iedereen vindt er wat van. Het moet zorgvuldig gebeuren en dat kost meer tijd dan gedacht.

12 juni 2020: Minister Koolmees gaf via de media een korte toelichting op de uitwerking van het Pensioenakkoord 2019. Deze uitwerking was nog niet openbaar. Met details zou de minister later nog komen.

  • Datgene wat naar buiten werd gebracht, geldt vooral voor pensioenfondsen.
  • Verzekeraars moeten dus nog even de adem inhouden.

Berekeningen

De uitwerking in het kort:

  1. Men wil het nieuwe stelsel in werking laten treden in 2022. Bestaande pensioenregelingen moeten uiterlijk per 1 januari 2026 aangepast zijn. (Let op: dit wordt mogelijk 1 januari 2027)
    1. Een pensioenuitvoerder kan vanaf 1 januari 2022 (let op: dit is inmiddels 1 januari 2023 geworden) overstappen naar het nieuwe pensioenstelsel. Stapt een pensioenfonds over naar het nieuwe pensioenstelsel? Dan kan een deelnemer geen bezwaar maken. Zijn de gevolgen van de overstap niet redelijk voor meerdere deelnemers? Dan kan een pensioenuitvoerder kiezen om niet over te stappen naar het nieuwe pensioenstelsel.
    2. Iedere werkgever met een bestaande pensioenovereenkomst moet een transitieplan maken. In het transitieplan staat waarom de werkgever kiest voor een bepaalde pensioenovereenkomst.
  2. Overgangsrecht:
    1. Overgangsrecht tussen 1 januari 2022 (is inmiddels 2023 geworden) en 1 januari 2026
      In de periode van 1 januari 2022 2023 tot 1 januari 2026 gelden zowel de regels uit het huidige pensioenstelsel als de regels uit het nieuwe pensioenstelsel.

      1. Voor wie nog niet is overgestapt, gelden nog de bestaande regels.
      2. Voor wie al wel is overgestapt, gelden de nieuwe regels. Maar kan nog steeds een overgangsrecht gelden voor de bijstortings- en toeslagverplichtingen. Het moet dan wel passen binnen de fiscale ruimte van het nieuwe pensioenstelsel. Als er moet worden bijgestort bij een bepaalde dekkingsgraad, of als er een toeslag (indexatie) moet worden verleend, dan blijft deze verplichting bestaan.
    2. Overgangsrecht na 1 januari 2026
      Voor wie op 1 januari 2022 2023 nog een pensioenovereenkomst met een leeftijdsafhankelijke premie heeft, geldt het overgangsrecht vanaf 1 januari 2026 ook voor de volgende pensioenovereenkomsten:

      1. een premieregeling met een leeftijdsafhankelijke premie;
      2. een uitkeringsregeling (middelloon of eindloon) met een leeftijdsafhankelijke premie uitgevoerd door een verzekeraar;
      3. een vrijwillige excedentregeling (pensioenregeling bovenop een verplichte regeling bij een bedrijfspensioenfonds) met een leeftijdsafhankelijke premie.
    3. Voor het nettopensioen (pensioen over pensioengevend loon boven € 112.189 (2021) geldt geen overgangsrecht.
  3. Er komt een splitsing:
    1. Werknemers die nu pensioen opbouwen mogen tijdelijk de pensioenregeling houden die ze nu hebben.
    2. Er komt van 1 januari 2026 tot 1 januari 2036 een ‘vergoedingsperiode’. In die periode mag de maximale premie voor pensioen tijdelijk 3% van de pensioengrondslag hoger zijn (33% in plaats van 30%). Zo worden deelnemers vergoed , wordt de premiegrens 33% van de pensioengrondslag om hiermee bestaande deelnemers te kunnen vergoeden die nu al een beschikbare-premieregeling hebben met een premie die stijgt als je ouder wordt..
    3. Wie via een nieuwe werkgever pensioen gaat opbouwen, komt in een pensioenregeling volgens het nieuwe stelsel.
    4. Uiterlijk 1 januari 2026 moeten alle pensioenregelingen zijn aangepast.
  4. De partijen die waren betrokken bij dit akkoord over de uitwerking, waren blij met het akkoord. Op 4 juli 2020 melde de overheid dat het kabinet en sociale partners definitief overeenstemming hebben bereikt over de uitwerking van pensioenakkoord.
  5. Daarna legde de minister het eindresultaat vast in een ‘Hoofdlijnennotitie‘. Minister Koolmees heeft deze op 22 juni naar de Tweede Kamer gestuurd. Inclusief de Antwoorden op Kamervragen.

Het nieuwe stelsel:

  1. Niet het uiteindelijke te bereiken pensioen met een bepaalde hoogte (de ‘pensioenaanspraak’), maar de ingelegde premie en het beleggingsrendement daarop bepalen straks de hoogte van het pensioen. Er is dan geen belofte meer van een bepaald pensioen op latere leeftijd, maar alleen een actuele stand van wat er tot dan toe is gespaard en belegd. Er wordt niets beloofd, dus er kunnen geen tekorten ontstaan. In het nieuwe stelsel hebben deelnemers vermogen in een collectief fonds en krijgen ze elk jaar rendement toegewezen. De hoogte van het projectierendement (zie punt 6) bepaalt de hoogte van de pensioenuitkering. Deelnemers hebben een vermogen en krijgen inzicht in hoeveel pensioen ze daar uit kunnen verwachten. Dat levert een pensioen op dat erg onzeker is. Want beurskoersen kunnen elk moment omhoog of omlaag gaan, dus de pensioenuitkering ook.
    1. Zo kunnen de rekenrente en de dekkingsgraad worden afgeschaft. Want omdat er geen uiteindelijk te bereiken pensioen meer wordt beloofd, hoeven de pensioenfondsen niet meer uit te rekenen (met de ‘rekenrente’) of ze wel voldoende in kas hebben om dat pensioen later uit te kunnen keren (‘dekkingsgraad’).
    2. Het pensioen kan zo eerder verhoogd, maar ook eerder verlaagd worden. Volgens Koolmees leidt het nieuwe stelsel sneller tot indexatie als het economisch goed gaat. En je kunt langer de premie beleggen, wat leidt tot een hoger resultaat. Als het slechter gaat, wordt er gekort, maar daarvoor zijn ‘veiligheidskleppen’ zei Koolmees. ‘We smeren schokken uit en er is een solidariteitsreserve’ (zie hieronder, punt 8). Kortom:
      1. een verhoging van de pensioenuitkering als de financiële resultaten goed zijn en een verlaging van de pensioenuitkering als de financiële resultaten slecht zijn.
      2. een gerichte verdeling van financiële resultaten volgens vooraf afgesproken regels over verschillende
        leeftijdsgroepen;
      3. een risicodeling over verschillende generaties door de verplichte collectieve solidariteitsreserve;
      4. een pensioenopbouw en een pensioenuitkering vanuit een persoonlijk pensioenvermogen;
      5. deelnemers en pensioengerechtigden dragen het beleggingsrisico en het micro- en macro langlevenrisico.
    3. Pensioenuitvoerders moeten de risicohouding van deelnemers per leeftijdsgroep duidelijk maken. De financiële resultaten moeten namelijk worden verdeeld over de verschillende leeftijdsgroepen volgens de risicohouding van de deelnemers. Met de verwachte beleggingsresultaten kan de pensioenuitvoerder beoordelen of deze
      resultaten gelijk zijn met de risicohouding van deze deelnemers.
  2. De premie voor deelnemers in een pensioenfonds wordt voor iedereen hetzelfde. Dit maakt oudere werknemers aantrekkelijker op de arbeidsmarkt. De leeftijdsafhankelijke premie geldt wel voor:
    1. bestaande deelnemers in een premieregeling (beschikbare-premieregeling, bijvoorbeeld op basis van beleggingen) bij een verzekeraar;
    2. bestaande deelnemers in een uitkeringsovereenkomst (middelloon of eindloon) bij een verzekeraar.
  3. De sociale partners of de werkgever maakt een pensioendoelstelling. Hiermee berekent een
    pensioenuitvoerder de premie voor de betreffende pensioenregeling. Het doel van het nieuwe pensioenstelsel is dat iedere deelnemer een pensioen ontvangt waarmee voldoende gekocht kan worden. De maximale premie wordt 30% van de pensioengrondslag. Het doel hiervan is, dat iedere deelnemer 75% aan pensioen kan opbouwen in 40 jaren, of 80% in 42 jaren. Het kabinet zet de premiegrens van 30% vast in de wet. Tijdelijk, van 1 januari 2026 tot 1 januari 2036, wordt de premiegrens 33% van de pensioengrondslag om hiermee deelnemers te kunnen vergoeden. Dit heet de ‘vergoedingsperiode’. Alleen bij een verandering van meer dan 5%-punt verandert de premiegrens tijdens de vergoedingsperiode. Na 1 januari 2036 kan de premiegrens iedere vijf jaar veranderen. Een verandering moet drie jaar van tevoren duidelijk zijn.
  4. Er komen in het nieuwe stelsel twee soorten pensioenregelingen. Beide regelingen werken met een projectierendement (zie hieronder bij punt 6). In 2026 moet iedereen zijn keus hebben gemaakt en moet de invoering klaar zijn:
    1. ‘Het Nieuwe Contract’. De pensioenpot blijft ‘één collectief’, maar deelnemers krijgen hun eigen aandeel daarin.
    2. Een beschikbare-premieregeling volgens de wet verbeterde premieregeling. Daarin hebben alle deelnemers een eigen pensioenpot. In deze regeling zijn extra keuzes mogelijk, met name voor een vaste of variabele pensioenuitkering. Pensioenuitvoerders moeten zoveel mogelijk hun best doen om deelnemers te begeleiden bij het maken van een voorlopige of een definitieve keuze. Dit kan bijvoorbeeld door een digitale keuzeomgeving te maken voor deelnemers.
  5. Beide pensioenregelingen in het nieuwe pensioenstelsel zijn ook toegankelijk voor het nettopensioen (geen belastingaftrek van betaalde pensioenpremie, uitkering onbelast).
  6. De ingelegde premie en het beleggingsrendement daarop bepalen straks je pensioen. Deelnemers hebben dus een vermogen en krijgen inzicht in hoeveel pensioen ze daar uit kunnen verwachten. Dit wordt bepaald op basis van verwachte rendementen: het projectierendement. Het gevaar is natuurlijk, dat die vooraf te gunstig wordt vastgesteld, waardoor je verwacht meer pensioen te zullen krijgen dan uiteindelijk het geval blijkt.
  7. Op het moment dat de pensioenfondsen overgaan naar het nieuwe stelsel, moeten ze ‘in beginsel’ de bestaande pensioenaanspraken ‘invaren’. Dat is het omzetten van aanspraken naar vermogens. De regels van het nieuwe stelsel worden dan ook van toepassing op de bestaande pensioenrechten. Daarbij krijgen deelnemers inzicht in het verwachte pensioen voor en na overstap. Werkgevers en pensioenfondsen laten daarbij zien hoe ze eventuele nadelige effecten compenseren.
    Opgebouwde middelloon- en eindloonpensioenen bij verzekeraars worden in principe niet ‘ingevaren’. Die rechten blijven gerespecteerd worden. Ook zijn er bij een verzekerde regeling geen buffers (zie hieronder punt 8) waar de omzetting kan worden betaald.
    Vanaf 1 januari 2026 is nieuwe pensioenopbouw in een middelloon- of eindloonregeling niet meer mogelijk. Ook niet bij verzekeraars. Werkgevers kunnen dus nog tot 1 januari 2026 hun middelloon- of eindloonregeling aanhouden, maar moeten dan zijn overgestapt op een premieregeling met een vlakke premie. Dat blijkt uit antwoord 2 van minister Koolmees op een Kamervraag.
    De pensioenuitvoerder laat de deelnemers de volgende informatie zien in de overgangsfase naar het nieuwe
    pensioenstelsel:

    1. de hoogte van het te verwachten pensioen voor de overstap
    2. de hoogte van het te verwachten pensioen na de overstap
    3. de genomen vergoedingsmaatregelen.
  8. Pensioenfondsen die kiezen voor het nieuwe stelsel moeten een solidariteitsreserve aanhouden.  Om te voorkomen dat de ene gepensioneerde een hoge uitkering krijgt, en de andere een lage – alleen maar omdat de beurskoersen omhoog of omlaag gaan – wil men in het nieuwe stelsel de beleggingsrisico’s gaan delen: er komt een buffer waarin geld gaat als de beurzen hoog staan, en geld uit kan worden gehaald als de beurskoersen omlaag gaan. De collectieve solidariteitsreserve is maximaal 15% van het totale fondsvermogen bij een pensioenuitvoerder.
    Een deelnemer mag maximaal 10% van de premie beleggen in de solidariteitsreserve. Een deelnemer belegt dus minimaal 90% in zijn persoonlijk pensioenvermogen. Zo kunnen in slechte jaren tegenvallers worden gedempt door pensioenen uit deze reserve aan te vullen.
    In de nieuwe pensioenovereenkomst moet de pensioenuitvoerder de deelnemer informatie geven over de volgende
    onderwerpen:

    1. de pensioenpremie die de deelnemer moet betalen
    2. het deel van de premie voor de eigen pensioenopbouw
    3. het deel van de premie voor de solidariteitsreserve
    4. toe- of afname van het pensioenvermogen
    5. stortingen op, en opnames van, het pensioenvermogen
    6. verdeling van de resultaten, zoals bijvoorbeeld de beleggingsresultaten.
  9. Er wordt flink geïnvesteerd in duurzame inzetbaarheid. Waar mensen vanwege zwaar werk echt niet langer door kunnen werken, komen (betaalbare) mogelijkheden om eerder uit te treden. Voor het faciliteren van maatwerk duurzame inzetbaarheid en het mogelijk maken van eerder uittreden heeft het kabinet € 1 miljard beschikbaar gesteld.
    Het onderzoek naar uittreden met AOW na een aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45, is niet bemoedigend afgelopen.
    Zie ook de pagina Uitleg: Zware beroepen.
  10. Werknemers in de uitzendsector gaan eerder pensioen opbouwen dan nu. Nu doen zij dat pas vanaf 26 weken (een half jaar) werken. Vanaf 1 januari 2022 2023 wordt dat vanaf 8 weken. Door de kortere wachttijd neemt het aantal uitzendkrachten toe dat pensioen opbouwt. Heeft de uitzendkracht minimaal 8 weken gewerkt op 1 januari 2022 2023? Dan geldt direct een deelname aan de pensioenregeling. Heeft de uitzendkracht minder dan 8 weken gewerkt op 1 januari 2022 2023? Dan tellen deze weken wel mee in de berekening van de wachttijd. De pensioenopbouw werkt niet terug tot een bepaalde datum.
  11. Het partnerpensioen verandert. De Stichting van de Arbeid heeft hierover een advies uitgebracht:
    1. Het partnerpensioen bij overlijden na de pensioendatum blijft 70% van het ouderdomspensioen op opbouwbasis.
    2. Het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum:
      1. wordt op risicobasis. Dat betekent dat het vervalt als je uit dienst van je werkgever gaat.
      2. wordt gebaseerd op het pensioengevend loon op het moment van overlijden, in plaats van op de pensioengrondslag.
      3. wordt onafhankelijk van de diensttijd.
      4. wordt fiscaal maximaal 50% van het pensioengevend loon.
    3. Het wezenpensioen wordt verbeterd en zal gelden tot de eindleeftijd van 25 jaar (nu is de eindleeftijd vaak 18 of 21 jaar). De fiscale maxima voor het wezenpensioen zijn 20% voor halfwezen en 40% voor wezen.
  12. Op de pensioendatum mogen deelnemers die met pensioen gaan, eenmalig een bedrag (‘LumpSum’) opnemen van maximaal 10% van hun pensioen (minder mag dus ook).  Opnemen van zo’n eenmalig bedrag mag ook in de maand februari van het jaar na het jaar waarin de deelnemer de AOW-leeftijd bereikt. De deelnemer moet dan wel met pensioen zijn gegaan. De Eerste Kamer had op 12 januari 2021 ingestemd met het wetsvoorstel, maar zag ook problemen en stelde pittige vragen aan minister Koolmees. Die zag zich op 19 januari 2021 na een motie gedwongen de ingangsdatum van de wet uit te stellen van 1 januari 2022 naar (misschien?) 1 januari 2023. De precieze ingangsdatum wordt nu geregeld bij Koninklijk besluit. Inmiddels (9 mei 2021) is bekend gemaakt dat de ingangsdatum minimaal een jaar wordt uitgesteld naar 1 januari 2023.
  13. In de loop van 2021 wordt besproken welke nieuwe mogelijkheden er kunnen zijn in het nieuwe pensioenstelsel voor het vrijwillige aansluiten van ZZP’ers. Het kabinet bekijkt hoe zelfstandigen,
    1. die in één sector of bij één onderneming werkzaam zijn, zich vrijwillig kunnen aansluiten bij de pensioenregeling in de sector of de onderneming waar zij werken, ook als zij voor die tijd niet als werknemer hebben deelgenomen.
    2. die in verschillende sectoren werken, zich vrijwillig bij een pensioenregeling kunnen aansluiten.
  14. Er komt een wettelijke verzekeringsplicht voor ZZP’ers tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico.
    En het kabinet gaat testen met wetgeving waardoor pensioenuitvoerders kunnen afwijken van de Pensioenwet. Hierdoor wordt het mogelijk om een pensioenregeling aan te bieden aan zelfstandigen. Zelfstandigen krijgen soepelere regels voor de hoogte van de premie-inleg. Het kabinet werkt verdere regels uit in een Algemene Maatregel van Bestuur.

Zie ook de publicatie van de Rijksoverheid.

 

Juridisch

Mag een pensioenfonds zomaar je aanspraken op pensioen omzetten naar een pensioenvermogen? Ofwel: Hoe zit het met het eigendomsrecht?

Volgens juristen lijkt het risico van invaren als ‘ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht’ zeer beperkt. Het invaren tast eigendomsrecht aan, maar het risico is zeer beperkt dat die inbreuk ongerechtvaardigd is. Centraal in de onderbouwing staat artikel 1 EP EVRM (voluit: Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en fundamentele vrijheden). Dit artikel regelt het eigendomsrecht. Aantasten mag, mits de inbreuk in de wet staat die een algemeen belang dient en proportioneel is. Individuen mogen hier geen ‘onevenredige en excessieve last’ van hebben.

Hoogleraar Europees pensioenrecht Hans van Meerten haalde in een vraaggesprek in Trouw ook nog artikel 17 van het Europees Handvest aan. Volgens hem kan iedere deelnemer met het handvest in de hand bij de rechter zijn pensioenfonds aanklagen. Met een beroep op het EVRM is het alleen mogelijk de staat aan te spreken.

Deze discussie is zeker nog geen gelopen race.

Gevolgen

Bouw je pensioen op en blijf je bij deze werkgever? Dan hou je tot uiterlijk 1 januari 2026 de bestaande pensioenregeling. Maar ga je uit dienst, en ga je daarna bij een andere werkgever werken? Dan krijg je te maken met de nieuwe pensioenregeling. Zo kan het tot 1 januari 2026 gebeuren dat twee werknemers, allebei even oud en met hetzelfde loon, een heel verschillend pensioen opbouwen. Misschien heeft dat gevolgen voor de arbeidsmarkt en blijven werknemers zitten waar ze zitten. Ook zit er een onevenwichtigheid in: Werknemers gaan in de nieuwe pensioenregeling straks minder per jaar opbouwen. Maar gepensioneerden blijven buiten schot.