Welkom! op PensioenGenieten.nl, pensioen in helder Nederlands!

WTP Wet toekomst pensioenen




WTP: Wet toekomst pensioenen

Op deze pagina lees je dat de uitwerking van het Pensioenakkoord een naam heeft:
de WTP, ofwel de Wet toekomst pensioenen.


Op 30 maart 2022 werd het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen (‘WTP’) bij de Tweede Kamer ingediend.

Vanaf de geplande ingangsdatum van de WTP (1 januari 2023) hebben pensioenuitvoerders vier jaar de tijd om de pensioenregelingen aan te passen. Op die datum gaat ook de transitieperiode in. Dat is de periode waarin werkgevers en pensioenuitvoerders omschakelen van de bestaande pensioenregelingen naar de nieuwe. In die transitieperiode moet de werkgever een ’transitieplan’ opstellen.

Uiterlijk op 31 december 2026 moeten pensioenuitvoerders en werkgever helemaal klaar zijn.

 

 

 

Mijlpalen transitieperiode

  • 1 januari 2023: geplande ingangsdatum WTP en transitieperiode. In de transitieperiode moet er overeenstemming bereikt worden tussen de werkgever, de deelnemers en de pensioenuitvoerder over de nieuwe pensioenregeling. Ook afspraken over eventuele compensatie moeten duidelijk gaan worden. Dit heet het ’transitieplan’ (zie hieronder).
    • Sluit een werkgever voor de eerste keer een pensioenregeling af per 1 januari 2023 of daarna? Dan moet deze regeling direct voldoen aan de nieuwe WTP.
    • Voor bestaande pensioenregelingen geldt dat een werkgever uiterlijk op 1 januari 2027 moet zijn overgestapt naar een pensioenregeling die voldoet aan de WTP. Voor iedere deelnemer aan de bestaande pensioenregeling zijn er twee mogelijkheden:
      • Alleen nieuwe deelnemers krijgen een gelijkblijvend percentage beschikbare premie, zoals de WTP voorschrijft. Bestaande deelnemers mogen onder een overgangsregeling de stijgende staffelpremie houden tot uiterlijk 1 januari 2027. De werkgever heeft dan wel twee pensioenregelingen binnen zijn bedrijf: eentje voor bestaande deelnemers en een andere voor nieuwe deelnemers.
      • Iedere deelnemer krijgt een gelijkblijvend percentage beschikbare premie. Gaan bestaande deelnemers over naar een gelijkblijvende beschikbare premie, terwijl ze daarvóór een stijgende staffelpremie hadden? En maakt de werkgever geen gebruik van het overgangsrecht (zie hieronder)? Een werkgever mag dan compenseren, maar dit moet niet. De werkgever bepaalt dit zelf. Die compensatie-afspraken moeten in het transitieplan staan, met een plan hoe de werkgever dit wil betalen. De compensatieperiode, met aanvullende fiscale ruimte, duurt tot uiterlijk 1 januari 2037.
  • 1 januari 2025: het transitieplan moet definitief zijn.
  • 31 december 2026: het invoeren van de nieuwe pensioenregeling moet zijn afgerond.

 

 

 

Transitieplan

Heeft een werkgever op 31 december 2022 een pensioenregeling voor zijn werknemers? En maakt hij geen gebruik van het overgangsrecht (zie hieronder)? Dan moet hij een transitieplan opstellen. Hier staat in:

  • voor welke pensioenregeling is gekozen
  • waarom
  • wat de gevolgen zijn voor het pensioen van de deelnemers aan de pensioenregeling.

Het plan gaat daarna naar de personeelsvertegenwoordiging of de ondernemingsraad. Aan hen wordt gevraagd om in te stemmen met de veranderingen.

 

 

 

Overgangsrecht vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2027

In de WTP is overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen die op 31 december 2022 al bestonden. Deze mogen nog worden voorgezet binnen de huidige fiscale regels tot 1 januari 2027, zolang deze pensioenregelingen in de overgangsperiode niet ‘op belangrijke punten’ worden gewijzigd. Middelloon- en eindloonregelingen mogen dus nog worden voortgezet tot 1 januari 2027, daarna niet meer. En een werkgever kan in 2022 voor zijn bestaande beschikbare-premieregeling nog even snel besluiten om een stijgende beschikbare-premiestaffel in te voeren in plaats van een gelijkblijvend percentage. In 2023 en later zou dat beschouwd worden als een ‘wijziging op een belangrijk punt’, en zou hij direct over moeten gaan naar een pensioenregeling volgens de WTP.

 

 

 

Doelstellingen WTP

  1. De ambitie voor het pensioen is:
    1. bij 40 opbouwjaren 75% van het gemiddelde loon, of
    2. bij 42 opbouwjaren een pensioen van 80% van het gemiddelde loon.
  2. Uitsluitend beschikbare-premieregelingen mogen nog. Middelloon– en eindloonregelingen mogen niet meer vanaf 2027. Zie hierboven bij ‘Overgangsrecht vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2027.’
  3. De maximale premie voor ouderdomspensioen (OP) + nabestaandenpensioen dat ingaat bij overlijden van de deelnemer ná de pensioendatum (NPnpd), is een gelijkblijvende premie van 30% van de pensioengrondslag.
  4. Nabestaandenpensioen (bestaande uit partnerpensioen en wezenpensioen) dat ingaat bij overlijden vóór de pensioendatum (NPvpd), mag niet hoger zijn dan 50% van het laatstgenoten pensioengevend loon. De hoogte wordt dus niet langer afhankelijk van de diensttijd bij de werkgever.
    Dit partnerpensioen mag alleen nog worden verzekerd op risicobasis, niet meer op opbouwbasis.
    Deze risicopremies voor het nabestaandenpensioen worden afzonderlijk betaald door de werkgever, naast de beschikbare premie voor het ouderdomspensioen en partnerpensioen dat ingaat bij overlijden na de pensioendatum.
  5. Gewijzigde definitie van ‘partner’. Nu is er nog verschil tussen wie partner is volgens de Pensioenwet, en wie partner is volgens de Wet op de loonbelasting 1964. Straks verwijst deze laatste wet naar de Pensioenwet. Voor al ingegane uitkeringen van partnerpensioen heeft de wijziging van de partnerdefinitie geen gevolgen.
    1. De partner is straks:
      1. echtgenoot;
      2. geregistreerd partner; of
      3. de meerderjarige persoon die met de werknemer of de gewezen werknemer een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad (vader/moeder, kind), een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn (opa/oma, kleinkind), een meerderjarig stiefkind of meerderjarig voormalig pleegkind.
    2. Van een gezamenlijke huishouding is sprake als:
      1. de betrokkenen een notarieel verleden samenlevingscontract hebben gesloten waarin zij zich wederzijds hebben verplicht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud; of
      2. er sprake is van een samenlevingsverklaring waarbij is voldaan aan de voorwaarden bij ‘bepaald’ dan wel ‘onbepaald’ partnerpensioen:
        1. Bij een ‘bepaald partnerpensioen‘ is sprake van een gezamenlijke huishouding zolang er een door beide betrokkenen ondertekende samenlevingsverklaring is, waarin zij verklaren op hetzelfde adres te wonen en voor elkaar te zorgen. Dit wordt ook wel de ‘partnerverklaring’ genoemd.
        2. Bij een ‘onbepaald partnerpensioen‘ is sprake van een gezamenlijke huishouding als:
          1. voor het overlijden van de werknemer of ex-werknemer er een door beide betrokkenen ondertekende samenlevingsverklaring is waarin zij verklaren op hetzelfde adres te wonen en voor elkaar te zorgen; of
          2. er na het overlijden van de werknemer of ex-werknemer een door de partner ondertekende samenlevingsverklaring is, waarin hij/zij verklaart partner van de overledene te zijn geweest en hij/zij aannemelijk maakt ten tijde van het overlijden of, als dat er zake doet, op enig moment voor het overlijden een gezamenlijke huishouding met de overledene te hebben gevoerd.
            Van het aannemelijk maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding is in ieder geval sprake bij inschrijving op hetzelfde adres gedurende zes maanden en een van
            de volgende omstandigheden:

            1. uit hun relatie is een kind geboren of heeft erkenning plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
            2. het gezamenlijk eigendom van een huis; of
            3. een huurcontract op beider naam.
    3. Het wetsvoorstel biedt de ruimte om in gevallen waarin op basis van wat hierboven staat het partnerschap niet kan worden aangetoond,  ook andere maatstaven mee te laten wegen. Bijvoorbeeld dat de nabestaande al wel partner was voor uitkeringen uit de sociale zekerheid. Of dat de partner opgenomen was in het testament. Of dat de nabestaande de begunstigde is in een overlijdensrisicoverzekering van de overledene.
      In sommige gevallen pakt de bovenstaande partnerdefinitie onredelijk uit. Maar met de ruimte in de wet kunnen pensioenuitvoerders in die situaties alsnog partnerschap vaststellen. En zo nabestaandenpensioen toekennen.
    4. Het aanmelden van een partner voor de pensioenregeling heeft tot gevolg dat, als dit nog niet bestond, fiscaal partnerschap ontstaat. Voor de belastingdienst ben je dan officieel partner. Soms maakt dat niet uit, maar soms kan dat ook ongewenst zijn.
  6. De hoogte van het wezenpensioen (WzP) mag straks maximaal 20% van het pensioengevend loon zijn (met verdubbeling voor volle wezen). De hoogte wordt dus niet langer afhankelijk van de diensttijd bij de werkgever.
    De eindleeftijd van het wezenpensioen wordt uiterlijk 25 jaar. Nu is dat nog 30 jaar. In veel pensioenregelingen van werkgevers kom je nu nog de eindleeftijd van 21, 27 of 30 tegen.
    Dit wezenpensioen mag alleen nog worden verzekerd op risicobasis, niet meer op opbouwbasis. Deze risicopremies worden afzonderlijk betaald door de werkgever, naast de beschikbare premie die in het pensioenreglement staat beschreven als je pensioentoezegging.
  7. De hoogte van het nabestaanden-overbruggingspensioen (NOVP) gaat omlaag.
    1. Nu: maximaal 8/7 van de nominale Anw- uitkering inclusief de vakantietoeslag plus het verschil in verschuldigde
      premies volksverzekeringen over het partnerpensioen vóór en na de AOW-leeftijd (‘premie-compensatie’).
      Die premiecompensatie komt in de nieuwe wetgeving te vervallen.
    2. Straks dus maximaal 8/7 van de nominale Anw- uitkering inclusief de vakantietoeslag. Dus alleen nog compensatie van het ontbreken van een Anw-uitkering, omdat maar weinig mensen daar recht op hebben.
  8. Nettopensioen (pensioen over inkomen boven € 114.866 (2022)):
    1. Geen eerbiedigende werking voor bestaande premiestaffels.
    2. Dezelfde premiegrens (maximaal 30% van de pensioengrondslag) als voor het brutopensioen, maar gecorrigeerd met een ‘netto-factor’.
    3. Een stijgende premie blijft mogelijk voor nettopensioen.
  9. Bedrag ineens (ook wel genoemd: ‘10% lump-sum’):
    Er komt een mogelijkheid voor het afkopen (bedrag ineens) van maximaal 10% van het pensioenkapitaal op de ingangsdatum. De besteding van het kapitaal is vrij. Voorwaarden:

    1. De afkoopmogelijkheid geldt alleen voor het ouderdomspensioen (niet voor het nabestaandenpensioen of prepensioen).
    2. Afkoop kan alleen op de pensioeningangsdatum.
    3. De deelnemer mag daarnaast/daarna geen gebruik maken van de hoog/laag-mogelijkheid.
    4. Het resterende bedrag aan ouderdomspensioen moet boven de afkoopgrens voor kleine pensioenen liggen. De afkoopgrens is in 2022 een jaarlijks pensioen van € 520,35 bruto per jaar. Dit bedrag wordt elk jaar aangepast door de overheid.
    5. Wordt door de afkoop het partnerpensioen lager? Dan is toestemming van de partner nodig.
    6. 10% is het maximum. Minder mag ook. En het hoeft niet per sé. Het is een recht, geen plicht.
  10. ZZP’ers krijgen de mogelijkheid om zich vrijwillig aan te sluiten bij:
    1. een pensioenregeling in de tweede pijler die geldt voor de bedrijfstak waarin de zelfstandige werkzaamheden verricht.
    2. een pensioenregeling in de tweede pijler die wordt aangeboden door een algemeen pensioenfonds, verzekeraar of premie-pensioeninstelling (ppi) en die is opengesteld voor vrijwillige aansluiting door zelfstandigen.
      Gekozen kan worden om de zelfstandigen te laten deelnemen aan dezelfde pensioenregeling zoals die er al is voor werknemers. Ook is het mogelijk een aparte regeling voor zelfstandigen te introduceren.